Er komt geen meldplicht voor carbidschieten

Hoogeveen – Het scheelt weer klauwen vol werk voor melder en verwerker: de meldplicht voor carbidschieten tijdens oud en nieuw is van tafel geveegd donderdagavond.  De gemeente wilde deze meldplicht invoeren uit oogpunt van veiligheid. Maar een meerderheid in de raad stemde donderdagavond tegen het plan.
Het CDA, de VVD, Gemeentebelangen en Forum voor Democratie kwamen samen met een amendement om het voorstel van tafel te vegen. Ook PvdA en D66waren tegen het plan.
CDA Hoogeveen gaf al aan om tegen het voorstel van het college te stemmen waarin een meldplicht wordt ingesteld voor het afschieten van carbid op oudejaarsdag. Het college van burgemeester en wethouders stuurde hierover een voorstel naar de raad wat gisteravond besproken. Het CDA  was alleen bereid voor dit voorstel te stemmen als de meldplicht eruit wordt gehaald net als andere punten die ‘voor onnodige regeldruk zorgen’, zoals de partij het stelt.

 

Op dit moment staat het iedereen in Hoogeveen vrij om op iedere plaats in de gemeente carbid af te schieten. Er zijn slechts twee regels. Allereerst mag dit zonder vergunning alleen op oudejaarsdag en daarnaast mag het alleen op ten minste 75 meter afstand van woonverblijven. Het college van burgemeester en wethouders wil hier nu meer regels aan toevoegen, onder andere de verplichting om op uiterlijk 15 december schriftelijk bij de gemeente te melden dat je carbid gaat afschieten. ‘Het is nadrukkelijk niet de bedoeling om onnodige hindernissen op te werpen, maar de praktijk op dit moment is dat wij het overzicht niet hebben en incidenteel problemen moeten tackelen’, zo stelt het college. Maar de lokale CDA-afdeling denkt daar anders over en verzet zich tegen wat zij ‘onnodige regeldruk’ noemt.

 

‘Natuurlijk zijn wij voor een veilig en goed verloop van oudjaarsdag,’ aldus CDA-raadslid Haaije Feenstra, ‘maar het carbidschieten is nou juist een voorbeeld van iets wat al jaren goed verloopt in onze gemeente zonder allerlei regels van de overheid.’ Volgens Feenstra is dit voorstel een typisch voorbeeld van de neiging van de overheid om alles in regels te willen vatten en oplossingen te zoeken voor problemen die er niet zijn. ‘Een meldplicht klinkt als iets simpels, maar er moet weer over gecommuniceerd worden, er moet weer geregistreerd en op toegezien worden en groepen die al generaties lang zonder problemen carbid afschieten kunnen plotseling op de bon worden geslingerd als ze deze wijziging even niet hadden meegekregen’.

 

De meldplicht is overigens niet het enige waaraan het CDA zich stoort. In hetzelfde voorstel van het college is namelijk nog een klein zinnetje toegevoegd: ‘Het college kan nadere regels stellen’ en in het voorstel worden alvast een heel aantal voorbeelden genoemd van wat die regels zouden kunnen zijn. Bovendien wordt tussen neus en lippen door de regel over de afstand tot woonverblijven uitgebreid met afstand tot verzorgingstehuizen en het ziekenhuis. Allemaal voorbeelden van doorgeschoten regeldrift volgens Haaije Feenstra, ook de afstandsbepaling die op het eerste oog redelijk lijkt: ‘Verzorgingstehuizen zijn naar mijn idee woonverblijven, dus daar mag je nu al niet schieten. En als je bij het ziekenhuis binnen 75 meter wilt schieten, sta je bij het ziekenhuis op het parkeerterrein of in het bos, allebei geen plekken waar een beetje carbidschieter wil staan.’

 

Maar eigenlijk gaat het Feenstra nog niet eens om wat er precies wel of niet mag. Het gaat hem om het signaal van de overheid richting de samenleving. ‘Jaar in, jaar uit, wordt het carbidschieten zonder problemen georganiseerd. Mensen gaan er verantwoordelijk mee om en zorgen er met boerenverstand voor dat de overlast beperkt blijft. Met dit voorstel zegt het college tegen die mensen: ‘Wij vertrouwen jullie niet, laat het maar aan ons over, wij zullen het wel eens even regelen’’. En dat laatste zit hem ook in hele kleine zinnetjes in het voorstel van het college, zoals de zin waarin het college stelt dat de meldplicht kan helpen carbidschieters te ‘verrijken’ met veiligheidsinstructies. Foto: Martin Schonewille