Onverwacht verscheen er een appje: “Komen jullie pannenkoeken eten?”
Wat een leuke uitnodiging! Pannenkoeken… die hadden we al jaren niet meer écht gegeten. Natuurlijk, af en toe zo’n vingerdikke in een pannenkoekenrestaurant, met van alles erop wat er eigenlijk niet op hoort.
Maar gewoon van de stapel, met stroop van Friesche Vlag? Dat was lang geleden.
Eigenlijk alleen nog met onze kleinkinderen, toen ze kleiner waren. Die aten er hooguit anderhalve. En daarvoor natuurlijk met onze jongens. Maar ook dat voelt inmiddels als een ander leven.
Vroeger, toen we nog gewoon panne-koeken schreven, stonden ze bij ons iedere zaterdag op tafel. Hard werken. Flink eten.
We deden tegen elkaar op. Op z’n groenteboers. Zes, acht… en vaak was ik gewoon de tel kwijt.
Nou, gisteren liep dat anders. Bij onze gastheer en gastvrouw aangekomen konden we meteen weer instappen. Pannenkoeken bakken ging niet door. Elsje Fiederelsje had blijkbaar vakantie.
Het ritje eindigde net over de grens. Het menu: bratkartoffeln met dubbele mayo en een schnitzel van een vierkante meter.
Fabelhaft! Even geen koolhydratenstress. Op de terugweg passeerden we – geheel toevallig natuurlijk – ook nog een ijscoboer.
Na een gezellige avond stapten we thuis voldaan, maar wel wat opgeblazen ons bed in. “Ga jij morgen tennissen?” vroeg ik aan mijn vrouw. “Als ik weer in de benen kan komen,” lachte ze. “Dan ga ik maar wandelen,” besloot ik. Gewoon boetedoening voor mijn zonden.
Vanmorgen ging ik dus op pad. Onderweg verdwaalde ik. Ja, gewoon in Hoogeveen. Gelukkig kwam ik Michiel tegen. “Verdwaald? Je bent toch een Hoogevener?”, plaagde hij. Ach ja, hij is sinds kort ook AOW-er. We raakten aan de praat over werk, carrière, vroeger en ons dorp.
Nog geen kilometer verder sprak ik Jan Mark. Ook al met pensioen. Hij is pas zestig. Hij was even een rondje aan het fietsen. De energie moest er blijkbaar uit. Binnenkort gaan we samen wandelen.
Daarna zag ik Klaske lopen. Vorige week tachtig geworden. Je zou het haar niet geven. Ze vertelde honderduit over haar verjaardag. Ze was ongelukkig op haar neus gevallen. Gelukkig viel de schade mee. Er was niets meer van te zien.
In het centrum kwam ik eerst Petra tegen en later Harry. En Johnny, een oudere buurjongen. Ook al vijfenzeventig. Djoeke en Maarten. En die jongen van Gils. Van de petroleum van vroeger. Vijfentachtig inmiddels. Net terug uit het ziekenhuis.
Ineens viel het kwartje. De hele ochtend liep ik al tussen de gepensioneerden.
Het bleek Pullendag te zijn.
Toch zette al dat toevallige ontmoeten me aan het denken.Iedereen draagt een eigen verhaal met zich mee.
De afgelopen week waren we bij een oudere neef van mij. Een mooie kerel. 92 inmiddels.
Hij was een van de weinige mannen bij wie ik het gevoel kreeg dat ik kleine handjes had.
Dat is inmiddels anders geworden. Hij heeft nog maar een paar weken te gaan…
We namen afscheid. Confronterend. Maar hij deed het met een blij gemoed.
“Hoe doe je dat?” vroeg ik hem in stille bewondering.
“Ach”, zei hij, “ik heb in mijn hoofd een film van mijn leven gemaakt. En weet je? Het is een prachtige film geworden. Ik kijk er met plezier naar. Ik geniet van elk moment.
Jullie komen er ook in voor…”
We namen met een knuffel afscheid. Ontroerend. Het voelde goed.
Hij gaf me terloops nog even mee: “Zorg ervoor dat je ook een mooie film maakt, Adri.”
Op de Pullendag moest ik daar steeds weer aan terugdenken.
“𝐙𝐨𝐫𝐠 𝐞𝐫𝐯𝐨𝐨𝐫 𝐝𝐚𝐭 𝐣𝐞 𝐨𝐨𝐤 𝐞𝐞𝐧 𝐦𝐨𝐨𝐢𝐞 𝐟𝐢𝐥𝐦 𝐦𝐚𝐚𝐤𝐭.”
Er is nog werk aan de winkel.
