Stapje terug met Adri Doldersum

Ik lees altijd graag dat 70 het nieuwe 50 is. Voel me dan op slag stukken jonger. Ik – en ik ben lang niet de enige – doe er ook veel aan om fit te blijven. Wandelen, fietsen, fitness en krachttraining. 

Sinds kort doe ik ook evenwichtstrainingen. Waarom? Ik merk dat mijn stapjes langzaam kleiner worden. Ik til ook m’n voeten minder hoog op. Een ouderdomsverschijnsel volgens mijn therapeut Leo. Angst om te vallen.

Ik zwaai daarom sinds kort met mijn benen, draai met de heupen en doe een paar keer per dag standje ooievaar. Links én rechts. We zullen ’s zien wie de baas is….

Zonder de steun van mijn gym-babes zou dat natuurlijk nooit lukken. 

Zelf probeer ik dus vooral lichamelijk overeind te blijven. Maar sommige ouders van nu beginnen kennelijk al veel eerder met de weerbaarheid.

Dan lees ik de krant dat een of andere influencer zegt: “Wij zijn bewust bezig met het kweken van mentaal krachtige kindjes.” 

Uit ondeugd – of onbegrip – vraag ik me dan stiekem af of ze daar tijdens de daad al mee beginnen. Van m’n vrouw mag ik die gedachte eigenlijk niet openbaar maken.

Het klinkt wel stoer, hè, zo’n prille vader. Eén piepkuikentje in het nest, verder nog geen ei in zicht, maar nu al van de leg…

In mijn jeugd — héééél lang geleden — werd mentale weerbaarheid veel later gekweekt. Wij leerden het pas bij het uitvliegen. Eerst vallen, daarna weer opstaan. Indien nodig samen. 

Het is dus maar de vraag of ik nog wel van deze tijd ben. Lichamelijk werk ik er hard aan. Mentaal heb ik kennelijk nog wat achterstallig onderhoud.

Dat heeft natuurlijk te maken met mijn bouwjaar. Late boomer. Nog opgegroeid met regels. Daar danken we trouwens de leukste momenten aan. Nee, niet aan wat er binnen de regels gebeurde, maar nét daarbuiten. We waren nog echte jongetjes van de straat.

Dan plukten we de perziken bij buurman Hartgers uit de tuin. De man keek er de hele dag naar. Zag ze groeien. En dan ineens… weg.

Of we speelden op een bouwplaats in de wijk en werden opeens betrapt door de wijkagenten. Ze kwamen niet meer op de fiets; ze hadden net hun rijbewijs. In die Kever vingen ze ons natuurlijk nooit.

Wie zou ons hebben verraden? Dat moest de buurman zijn geweest. We smeerden zijn voordeurslot vol met Alabastine. Vult gaten en scheuren.

Moest-ie noodgedwongen buiten blijven slapen, lachten we. Net goed!

Drie dagen later stond politieagent Eshuis bij ons aan de deur. “Die ene van de gruuunteboer was er ook bij…”

De straf? Excuses aanbieden en de spaarpot legen.

Kijk, dát was onze weerbaarheidstraining.

Ik zou trouwens niet graag willen ruilen met de kinderen van nu, hoor. Die hebben het best lastig. Ze krijgen al jong het gevoel dat ze zich moeten voorbereiden op een glanzende carrière. Het leven lijkt maakbaar en je bent zelf de architect…

Zo’n uitgestippeld levensplan had mij misschien voor veel misstappen kunnen behoeden. Het had ook een hoop tijd gescheeld. Was ik misschien nooit groenteboer geworden en had ik nooit op de markt gestaan.