Mijn auto moest gekeurd worden. Daarvoor moest ik naar Deventer. Naar een garage van: dit merk Bouwt Mooie Wagens. U weet wel.
Geweldig hoe je wordt ontvangen bij zo’n garage. Het is net of je het Hilton binnenstapt. Dat gevoel krijg je later nog een keer.
Als je de nota krijgt.
In de koffiecorner zitten drie mensen. Verdiept in iPhone en krant. Ze kijken niet op of om. Pas na mijn enthousiaste: “Goedemorgen”, krijg ik er ééntje terug plus twee blikken van: ‘doe normaal’.
Ik begrijp het wel, hoor. Hallo boomer, effe dimme graag.
Maar ja. Ik ben en blijf een jongetje van de markt. Gedoe, geklets, gezelligheid. Mijn vrouw vraagt zich af waarom het altijd zo luidruchtig moet.
De markt. Mijn hele bestaan en carrière zijn daar begonnen. Niet alleen die van mij trouwens. Ik denk met plezier terug aan al die jonge gasten die bij ons werkten en daar meer leerden dan zij zelf – en wij – doorhadden.
En eerlijk gezegd: voor de iets ouderen gold dat minstens zo hard.
Je leerde een vak. Maar vooral ook jezelf kennen.
De beide vrijers van mijn zussen, bijvoorbeeld. Nu al jaren mijn zwagers.
De een zat als vrachtwagenmonteur meestal met z’n hoofd onder de motorkap en schrok als hij ineens mensen zag. De ander was bijna bankdirecteur bij de ING en had geen idee hoe gewone mensen hun brood verdienden.
Beiden leerden ze op de markt precies datgene wat hen nog ontbrak. En eerlijk is eerlijk: ondanks alles was het leerproces uiteindelijk vooral plezierig. Dat had niemand zien aankomen.
Ze werden zelfs zo enthousiast dat ze zaterdags al uren voor tijd bij ons thuis aan de koffie zaten. Tenminste, ik kan me nauwelijks voorstellen dat mijn zussen de reden waren.
Die meiden waren ’s zaterdags hard aan het buffelen in de winkel.
Van die ene zwager weet ik nog hoe verlegen hij was. Hij moest echt wennen aan veel mensen om zich heen en dan ook nog het lef hebben je handel luidruchtig aan te prijzen.
Maar zie, na een paar maanden – we konden het nauwelijks geloven – stond hij met een meloentje in zijn hand in de lucht te zwaaien en stond min of meer te zingen:
“Meloenen! Meloenen! Heerlijke meloenen”.
Nou, je zult begrijpen. De verkoop kende geen grenzen…
En hij? Hij is nooit weer de oude geworden.
Maar die jonge gasten…
Harm-Jan bijvoorbeeld. Geen prater. Ook niet echt handig. Wel oplettend.
Later bleek hij directeur bij een grote supermarktketen.
Nog weer later bleek hij de baas over honderden bouwmarkten.
Dat had niemand toen kunnen bedenken. Hijzelf waarschijnlijk ook niet.
Of Arjan. Altijd al een slimmerik. Zo gauw hij een meisje tegenkwam, had hij met de snelheid van het licht alweer verkering.
Maar hij trouwde met Inge, met wie hij bij ons samenwerkte. Dat had hij goed gezien. Samen runnen ze al jaren een succesvolle viswagen.
Een ‘goede vangst’, zogezegd.
Hilco wilde altijd al hogerop. Wel met zijn voeten stevig op de grond.
Dus ging hij in de schoenen. Eerst voor een baas, daarna voor zichzelf.
Dat bleek slechts een tussenstation.
Inmiddels importeert hij ze per container.
En dan Henri.
Geheel onverwacht eigenaar van twee supermarkten én de man die van het Paviljoen Nijstad dé ontmoetingsplek van Hoogeveen en wijde omgeving maakte.
Ik heb hem regelmatig de oren moeten wassen omdat hij wat al te amicaal met oudere klanten omging. Soms wat lomp, ja. Maar hij had – en heeft – een gouden hart.
“Nou,” zei hij na zo’n reprimande, “dan hoef je je toch niet zo druk te maken? Dan doe ik dat toch niet weer?”
(H)eerlijker krijg je ze niet.
En zo waren er velen. Meer dan zeventig.
Geen zeventig namen, maar zeventig verhalen.
Een wereld waarin je samen werkte, samen leerde en elkaar scherp hield. Niet ieder voor zich, maar met elkaar.
Eentje moet ik er toch nog noemen. Hans.
Hij versliep zich de eerste vier zaterdagen.
Toen ik hem zei dat hij de volgende keer beter gewoon in bed kon blijven liggen – beter voor zijn hart en het mijne – werd hij een topper.
We hebben nooit meer gelachen dan met hem.
Een goudvink.
Hans is helaas veel te jong overleden.
Maar toch, het was mooi èn gezellig.
Misschien kijk ik er te warm op terug.
Nostalgie.
Een boomersblik.
Wel mét geluid.
Illustratie: Adri Doldersum
