Opinie: Burgemeester in oorlogstijd II

2020 is het jaar waarin Hoogeveen viert dat het 75 jaar geleden bevrijd werd. De feestvreugde in de dop wordt overschaduwd door de discussie over de rol van de burgemeester van Hoogeveen, Jetze Tjalma (1893-1985) tijdens de Tweede Wereldoorlog en de naweeën hiervan.

De discussie is niet nieuw. Reeds eerder zijn burgemeesters in oorlogstijd onderwerp van onderzoek geweest: Peter Romijn (1955) schreef over deze kwestie een monografie in 2006, welke ook gespreksstof bood in het Tijdschrift voor Sociale en Economische Geschiedenis. NIOD (Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie) onderzoeker Romijn meldt ondermeer in zijn lijvige boekwerk dat na de oorlog de zuiveringscommissie oordeelde dat Tjalma niet als burgemeester kon aanblijven. Ook valt daaruit op te maken dat ARP minister Louis Beel (1902-1977) Tjalma, die tot 1958 burgemeester van Hoogeveen bleef, de hand boven het hoofd hield. Onthutsend. Het onderzoek van Romijn blijkt echter niet afdoende, zoals blijkt uit het recente onderzoek naar deze kwestie door Albert Metselaar. Metselaar stelt zich de vraag of Tjalma een voorbeeldfiguur is geweest die het verdient dat hij ereburger van Hoogeveen is en er (in 1968, tijdens zijn leven) een park naar hem is genoemd: het huidige burgemeester Tjalmapark in Hoogeveen achter het gemeentehuis. 

Metselaar heeft middels gedegen bronnenonderzoek in verschillende archieven, waaronder het oud-archief in Hoogeveen, aangetoond dat Tjalma actief meewerkte aan het beleid van de Duitse bezetter en één dag na de capitulatie van Nederland reeds uitgebreide lijsten met namen en adressen van joden in Hoogeveen aan de Duitse bezetter overhandigde, de eerste op 16 mei 1940. Hij sommeerde de Joden om zich op 18 mei 1940 bij de “Duitsche Wacht” aan de Schutstraat te melden. Het is mede aan het beleid van de burgervader Tjalma te wijten, die moet hebben geweten van de Kristallnacht in 1938 en de anti-joodse maatregelen, dat op 2-3 oktober 1942 circa 200 joden in Hoogeveen abrupt werden afgevoerd, de dood tegemoet. Ook nadien stuurt Tjalma nog lijsten met enkele overgebleven joden naar de bezetter. De burgervader woonde nabij het station en zal de trein naar Kamp Westerbork gehoord hebben. Tjalma had meer op zijn lever: zo werkte hij actief mee aan het uitleveren van zijn burgers aan de Arbeidsinzet, dwangarbeid in Duitsland vanaf mei 1943. Als de Duitsers vroegen om arbeiders of hoeveel vrouwen er nog waren, zorgde Tjalma er telkens voor dat de Duitse bezetter een lijst kreeg, ondertekend door hemzelf. Mijn inziens handelde Tjalma louter  opportunistisch en zonder empathie getuige ook zijn wens dat de Duitse bezetter de kosten van de joden transporten en huisuitzettingen van joden e.d. vergoedt aan de gemeente. De briefwisseling over deze pijnlijke zaak heb ik zelf ingezien in het oud archief in Hoogeveen. Na de oorlog en in zijn memoires verwijst Tjalma niet naar zijn aandeel in de genocide, hetgeen ook verzwegen wordt in de naoorlogse ambtelijke correspondentie aan het toenmalige Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (RIOD), de voorloper van het huidige NIOD. De nazaten van de joodse slachtoffers lijden nog steeds onder het grote onrecht dat hen is aangedaan.  Maar de lokale politiek hield de burgervader het hand boven het hoofd. In 1963 werd Tjalma benoemd tot ereburger van Hoogeveen. Vervolgens werd in 1968 het park achter het raadhuis naar hem vernoemd. Ook de brandweerkazerne kreeg zijn naam.

Opmerkelijk is dat er geen raadsbesluit bekend is waarin vermeld staat dat het park naar Tjalma is genoemd. Metselaar is op grond van zijn onderzoeksuitkomsten van oordeel dat Tjalma niet het lichtend voorbeeld is dat het verdiend ereburger te zijn en dat er een park na hem is genoemd. Velen volgen hem hierin, waaronder de SGP, publicist Frits Kappers en ondergetekende. Brand van Rijn (fractievoorzitter SGP) deed inmiddels een voorstel voor een nieuwe naamgeving aan het park: ,,Het park zou vernoemd moeten worden naar Mozes Koekoek, die in de 19e eeuw godsdienstleraar was. Zijn naam is aangedragen door de Nederlands Israëlitische Gemeente Drenthe. Wij vinden dat een mooi eerbetoon aan de joodse gemeenschap.”  De gemeente Hoogeveen besluit niet om zijn voorstel (direct) in te willigen en schoon schip te maken. Ondanks de uitkomst van het (lopende) gedegen onderzoek gedaan door Albert Metselaar, besloot het college van Hoogeveen namelijk januari 2020 een extern bureau in te schakelen om deze kwestie te onderzoeken: het reeds eerder genoemde NIOD. Niet kies naar Metselaar toe is dat de burgemeester dit doet o.m. op grond van “iedereen kan wel wat roepen”. Het NIOD heeft inmiddels ook Robin Slaa in de arm genomen na neem ik aan inwilliging door het college. Het is me onduidelijk of Romijn in dit onderzoek op een zijspoor is gezet. Naar de redenen kan ik slechts gissen. Het levert wel vertraging en een hoge rekening op. Mijn inziens kan het onderzoek wat betreft de vraagstelling van Metselaar geen meerwaarde opleveren, anders dan dat er bredere belangstelling volgt voor dit hete hangijzer in Hoogeveen en dat naar buiten toe althans meer draagvlak zou kunnen komen voor Metselaars onderzoek. Het externe onderzoek kan wel nieuwe gegevens opleveren door een andere invalshoek te kiezen, bijvoorbeeld de handel en wandel van Tjalma in zijn tijd plaatsen en vergelijken met andere burgemeesters in oorlogstijd die zowel hun eigen bevolking als die van de bezetter moesten dienen, wat in de praktijk betekende het vuur te laten branden zonder bluswerk.

Het is afwachten wat dit onderzoek oplevert. Mijn inziens mag ook de rol van het gehele ambtenarenapparaat, de politie, de meelopers en zwijgers in het onderzoek worden betrokken. Want uiteindelijk was het niet alleen Tjalma, maar brede bevolkingslagen in de samenleving van Hoogeveen die schuldig waren aan collaboratie. Is dat pijnlijk voor het huidige college ?

Zie ook: Opniepagina Hoogeveensche Courant d.d. 21 februari 2020

Ronald Wilfred Jansen, Hoogeveen

Deel dit bericht!

Geef een reactie