Kantlijn: Tjalma – De impliciete boodschap van het college van B&W Hoogeveen is onthutsend

De opdracht die het college van B&W aan het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie gaf om onderzoek te doen naar de handelwijze(n) van voormalig burgemeester Tjalma van Hoogeveen bevat een impliciete boodschap die ronduit onthutsend genoemd kan worden. En daar komt nog bij dat het NIOD niet de door Hoogeveen gewenste onderzoeker (prof. dr. P. Romijn) levert, maar zelfstandig werkend onderzoeker en publicist Robin te Slaa.


Door Frits Kappers

Te Slaa is ongetwijfeld een kundig onderzoeker, zijn website maakt melding van indrukwekkende feiten en de declaratie die te Slaa bij het NIOD zal indienen zal daar ongetwijfeld mee in overeenstemming zijn. Geld dat Hoogeveen in mijn ogen beter had kunnen besteden .

Waarom, zult u zich misschien afvragen. Je mag toch niet zomaar wat roepen? Wetenschappelijk onderzoek is hier toch noodzakelijk? En vooral: Er moet toch zorgvuldig worden gehandeld? Het zijn de woorden van burgemeester Loohuis tegenover de media. Twee van de drie kloppen. Op eentje valt veel aan te merken. Ik loop ze alle drie even bij langs.

Je mag niet zomaar wat roepen. Nee natuurlijk mag je niet zomaar wat roepen. Je moet weten waar je het over hebt. Historicus Albert Metselaar weet, door zijn uitvoerige en nimmer aflatende onderzoekswerk, heel precies waar hij het over heeft en in zijn voetspoor ben ik zelf gaan lezen wat er over Jetze Tjalma bekend is, zodat ik inmiddels genoeg weet om mijn persoonlijke mening over het eerbetoon aan deze magistraat te vormen.

Wetenschappelijk onderzoek is toch nodig? Of het per se wetenschappelijk moet zijn daarover valt te discussiëren. Ik zou zeggen gedegen feitenonderzoek is nodig. En dat is gedaan. Door het NIOD, onderzoeker prof. dr. Peter Romijn (inderdaad, de onderzoeker die Hoogeveen vroeg en niet krijgt) deed dat en bracht verslag uit in zijn boek Burgemeesters in Oorlogstijd. Daarin valt te lezen dat de Zuiveringscommissies die (na de oorlog) de handel en wandel van bestuurders tijdens de bezettingsjaren beoordeelden Tjalma ernstige verwijten maakten. Ook valt daaruit op te maken dat ARP minister Beel Tjalma de hand boven het hoofd hield. Uit de Hoogeveense archieven blijkt klip en klaar dat Tjalma de persoons- en adresgegevens van de Joodse ingezetenen van Hoogeveen uiterst bereidwillig en snel aan de vijandige bezettingsmacht overhandigde. Ook sommeerde hij de Joden om zich op 18 mei 1940 bij de “Duitsche Wacht” aan de Schutstraat te melden.

En tenslotte: je moet zorgvuldig handelen. Dat klopt natuurlijk. Zeker als het om zoiets delicaats gaat als het intrekken van eerbetoon. En daar laat het College van B&W in Hoogeveen een steek vallen. Heeft men zich gerealiseerd dat de feiten (die onloochenbaar zijn) door het geven van de onderzoeksopdracht als onvoldoende worden aangemerkt om een mening over het eerbetoon aan Tjalma te vormen? In simpeler bewoordingen: het zonder enige tegenwerping uitleveren van meer dan tweehonderd plaatsgenoten aan een vijandige mogendheid is geen reden om te besluiten het eerbetoon aan Tjalma per onmiddellijk te beëindigen. Laat even goed tot u doordringen, welk signaal het college in Hoogeveen hiermee afgeeft. Met de feitenkennis van nu, noem ik dat ronduit onthutsend.

Deel dit bericht!

Geef een reactie